Liefhebbers van subpolaire landschappen en ongerept natuurschoon komen op Oost Groenland ruimschoots aan hun trekken.  Een wonderlijke witte wereld waar eskimo’s en sledehonden nog steeds de dienst uit maken.


Tekst & Fotografie: Paul Duijf

Ieder jaar is het weer een feest van herkenning wanneer de eerste wit besneeuwde bergtoppen voor de Oost Groenlandse kust opdoemen. De bevroren zee die langzaam onder de Fokker 50 wegglijdt, bied de aanblik van gebarsten porselein.  IJsbergen in alle denkbare kleurschakeringen blauw en wit liggen als gigantische sculpturen vastgevroren in het ijs.  Aan de rand van de ijskap grijnzen tientallen gletsjers met hun afgebrokkelde tanden. Zo moet de wereld er in de ijstijd uit hebben gezien, een ongerept en zuiver oerlandschap. Welkom op Groenland.

Als we met de rugzakken aan komen lopen beginnen de honden zenuwachtig in kringetjes rond te draaien, happen naar hun eigen staart of naar de poten van de buurman. Ze weten het al, we gaan vertrekken. Eén begint te huilen, lange uithalen die door rotsen en huisjes worden weerkaatst en versterkt. Vanuit de verte klinkt een antwoordt. Eerst nog schuchter maar al snel golft een oorverdovend kabaal door het nog in diepe stilte ondergedompelde gehucht Tiniteqilaaq. Tijd om te vertrekken. Kalm ontwart Piuut, onze Eskimo gids,  de touwen van zijn twaalf sleehonden om ze in het gelid te krijgen. Geen type dat ooit de zweep zal hanteren. "Dat werkt niet," zegt hij. "Ze hebben een goed geheugen. Als je ze goed behandelt, willen ze voor je werken. Zo worden ze geboren." 

Piuut  moedigt de honden aan. " Juuuu, juuuu! Prrrrrr, prrrrrr!" Jankend proberen de honden de zwaarbeladen slee door de vers gevallen sneeuw omhoog te sleuren. Vanaf het fjordijs zag het er nog zo eemvoudig uit: een mooie pas omhoog naar de ondergesneeuwde gletsjer. Maar de kraakheldere lucht heeft ons weer te pakken: afstanden en afmetingen zijn hier niet te schatten. De honden trekken het niet meer. Spieren trillen onder de dikke vacht. De touwen staan snaarstrak gespannen.  Gaan ze het houden?  De helling is te stijl, de sneeuw is te diep. Langzaam trekt de zwaarbeladen slee hen mee terug de helling af.  Piuut ramt vol op de rem en weet de slee tot stilstand te brengen. Hier is hulp nodig! Rugzakken worden afgeworpen.  Nu de spanning van de halsters af is, rollen de honden zich op en vallen in slaap, zich niets aantrekkend van ons geworstel met de slee. Een paar welgemikte sneeuwballen doen de honden weer opspringen. Aan de slee worden lange touwen vastgeknoopt. “ Jullie twee, duwen” zegt Piuut met onverstoorbare blik, “de rest trekken”

Het is nog een kilometer of 5 naar Tiniteqilaaq wanneer Piuut in ene halt houdt. Bewegingsloos staart hij naar de witte horizon, ziet wat wij niet zien of misschien wel niet willen zien.  Zijn massieve gestalte en ronde gezicht vertonen geen enkele emotie. Alleen zijn ogen bewegen, van links naar rechts en weer terug en verraden zijn ingehouden spanning “Polar Bear” gromt Piuut in ene tussen zijn tanden door, “ dangerous, to close to village”  en weg is ie, ons achterlatend in de onmetelijke witte wildernis. Met hem verdwijnt ook snel het enige geweer wat we bij ons hebben uit het zicht. Zonder het aanvankelijk door sommigen zo gehate geweer van de jager voelt een aantal van ons zich ineens zeer onveilig. Messen worden stiekem onder handbereik gehouden maar iedereen weet, wij zijn geen partij . . . . Een IJsbeer rent sneller, klimt sneller en eet alles wat los en vast zit. En na een paar dagen lopen moeten wij voor een ijsbeer wel heel aantrekkelijk ruiken. In principe worden ijsberen door de eskimo’s geen strobreed meer in de weg gelegd tot ze in de nabijheid van een dorpje komen. Dan vormen ze een gevaar voor de inwoners en wordt de ongelukkige zonder pardon naar de eeuwige jachtvelden geholpen.  Het schieten van een ijsbeer levert de eskimo nog steeds aanzienlijke status op en niet te vergeten, heel veel geld. Van beschermde diersoorten hebben ze hier nog nooit gehoord en wordt met een nonchalant schouderophalen als onzinnig afgedaan. Deze ijsbeer wist te ontkomen, een andere beer had minder geluk, getuige de huid die in de vrieskou hangt te drogen. “Kwam eergisteren het dorp in lopen “ bromt Piuut s’ avonds in de hut. Stiekem toch een beetje jaloers?

Boven! Van 0 naar 1000 meter door de diepe sneeuw gaat je niet in de koude kleren zitten. De beloning is echter groots en onvergetelijk. Het  weidse uitzicht over de omringende bergen met in de verte de oceaan doet alle inspanning van die ochtend snel vergeten. De lucht is strak blauw en heel, heel ver onder ons zien we tientallen stipjes op het fjordijs. Eskimo’s die een maaltje vis voor de avond aan het vangen zijn. De honden weten dat het erop zit en zijn bijna niet te houden. In de verte ligt Tassilaaq. Een warme douche lonkt en de gedachte aan een stevige avondmaaltijd van zeehondenvlees en walvis doet ons het water in de mond lopen. De honden schieten er als een speer van door en duiken over de rand van Polhems fjeld de pijlloze diepte in. De slee slingert als een ongeleid projectiel achter hen aan, Piuut als een ware kytesurfer vliegend en stuiterend achterop. Voorzichtig kijken wij over de rand, slik, moeten wij hier ook vanaf ? 1000 Meter lager en twee uur later komen we Piuut weer tegen. Een tevreden grijns op zijn gegroefd gezicht. Hij is bijna weer thuis.  De anders zo zwijgzame eskimo begint te vertellen en neemt ons mee terug in de tijd. Ademloos hangen we aan zijn lippen en in dit oerlandschap heb je maar weinig fantasie nodig om een beeld te vormen hoe het leven er, nog niet eens zo heel lang geleden, uit heeft gezien.

~~~~~

 

 

Terug naar Groenland in de winter